Engelenburcht, een geschiedenis in delen – 2

Door Han Marjot. Eerder gepubliceerd in Angrisa Nieuwsbrief 6, mei 2014.

Vervolg van deel 1

Han Marjot is van het begin af al bij de Engelenburcht betrokken. Hij put uit zijn geheugen en archief.

In 1967 vond er een bespreking plaats tussen de burgemeester, het ministerie en de Commis­sie Engelens Belang (CEB). De voorwaarden voor het stichten van een dorpshuis werden besproken en vastgesteld werd dat er geen beletselen waren om met de plannen door te gaan. We werden op een lijst geplaatst en de toestand werd urgent ge­noeg gevonden om redelijk snel toestemming te kunnen verwachten voor de bouw, al zou dat niet over een paar weken zijn. De CEB zou een aantal mensen voor de Stichting Dorpshuis zoeken, maar dat bleek toch niet zo eenvoudig te zijn.

Zelf was ik toen een aantal maanden in het weekend op Papendal voor een cursus over sport en kwam daar in con­tact met mensen van het ministerie. Zij waren deskundig op het gebied van sportaccommodaties. Met een van hen heb ik bij de Heer Piet Sweep thuis overleg gehad, ook al omdat we ruimte wilden hebben voor indoorsport in Engelen. We dachten op een goed en snel spoor te zitten, maar zijn van een koude kermis thuisgekomen.

Begin 1969 pas werd in een vergadering van de CEB een stichting i.o. gevormd, die zich met de voortgang zou bezig houden. Toen zij daar niet in slaagden heeft een vijftal Engelenaren, nl. de heren J.Bisseling. G. Heime­riks, J.Marjot, P.Sweep en P. van Twisk die taak op zich willen nemen. Omdat het gebouw van de gemeente ook voor gymnastieklessen beschikbaar moest zijn, werd een plek tegenover de school gekozen, waardoor de appelbo­men van Toon Leyte zouden sneuvelen. We vonden een architect in de persoon van Jan Boers uit Naaldwijk en eind 1969 diende hij zijn plan in met een begroting van fl. 330.000. Begin 1970 hadden we alle nodige toe­stemmingen verkregen, de Stichting Dorpshuis werd op 6 Maart opgericht en het bestek werd gereedgemaakt. Nog voor de annexatie op 1 April 1971 werd de bouwvergun­ning aangevraagd. Maar toen ging het mis! Want in die­zelfde periode werd wettelijk een mogelijkheid geboden om bezwaar te maken. Het gaf een aantal bezwaarden de kans om te protesteren. Hun argument was dat het groen, de appeltuin van Toon Leyte zou moeten wijken. De le­den van de bestuursraad wisten bijna alle bezwaarden in Engelen te overtuigen hun bezwaar in te trekken, maar een grote groep Bossenaren, gesteund door een van onze dorpsgenoten hield voet bij stuk en er gebeurde weer een tijd niets. De kosten stegen in die tijd tot 600.000 gulden en het plan was dus onhaalbaar geworden.

De gemeente Engelen had wel al voor de annexatie nog een bedrag van fl. 118.500 toegekend. Dat was in ieder geval binnen. Maar het geluk draaide weer in onze rich­ting: de Blizo, die al vanaf 1954 in Engelen was gevestigd verhuisde in 1973 naar de Steffenberg in Vught. Daardoor kwamen in Engelen flinke ruimtes vrij. Uiteindelijk wilde de gemeente ’s-Hertogenbosch de schoolgymnas­tiek niet meer in het dorpshuis on­derbrengen. Zo waren we niet meer gebonden aan een plaats vlak bij de school.

Blizo

Het is, denk ik, goed om dit moment aan te grijpen wat over de Blizo te vertellen. Ook hier maak ik gebruik van mijn archief. Dit is niet een per­soonlijk archief zoals mogelijk kon worden afgeleid uit het vorige num­mer van Angrisa, maar ik vond alles in het geheugen van Angrisa, aan gevuld mijn geheugenopslag en en­kele gesprekken.

In Grave stond Sint Henricus, een ge­bouw waarin blinde mensen woon­den. In Velp, niet ver daar vandaan bestond een vereniging, de katho­lieke blindenvereniging Sint Anto­nius van Padua. Vanuit huis wer­kende blinden maakten dus thuis allerlei voorwerpen, zoals bezems, ze matten stoelen enz. Pater Andreas (1884-1969) een Pater Capucijn,die op Borneo blind was geworden en weer in Nederland ging werken, trok zich het lot van blinde mensen sterk aan en zag het als zijn taak om hen te helpen en te leren zelfstandig te worden en niet van giften te hoeven leven. De daad bij het woord voe­gend richtte hij verschillende werk­plaatsen op met eraan verbonden een vakopleiding. Hun producten werden centraal opgeslagen, dit al­les onder leiding van Pater Andreas en zijn broer, een broeder-Capucijn. Hij begeleidde hem bij bezoeken aan b.v. afnemers, en fungeerde als zijn chauffeur. Daarbij werd hij vaak nog geholpen door de Heer G. van Boe­kel, die bij Rijkswaterstaat werkte, en kreeg zo nodig hulp van een vriend van hem, de Heer J.Bisseling, die bij een drankwinkel in Grave zijn werkkring had.

Na de watersnood in 1953 werd er zoveel materiaal aangevoerd voor opslag dat men uit Velp moest ver­trekken en in 1954 kwam er ruimte vrij in Engelen.

Wordt vervolgd in deel 3, slot