Engelen en de opmaat naar het beleg van 1629 – deel 2

Door Rob Gruben. Eerder gepubliceerd in Angrisa Nieuwsbrief 9, augustus 2015.

Vervolg van deel 1

In dit vervolg gaat Rob Gruben verder in op de rol en de betekenis, die Engelen in de Tachtigjarige oorlog had. Het dorp speelde een cruciale rol bij het uiteindelijk verslaan van de Spaanse troepen binnen de vesting ‘s-Hertogenbosch. We volgen de schermutselingen rond de schans van Engelen in de jaren 1580-1587. De Staatse troepen van Von Hohenlohe zu Langenburg, schoonzoon van prins Willem van Oranje probeerden de schans te veroveren, maar iedere keer weer werden ze verdreven uit de schans en Engelen. Von Hohenlohe gaf echter niet op en zo nam hij wraak op de stad, die hem in 1585 een wel heel slechte naam had bezorgd (afb. 1).

Afb. 1 De compleet mislukte poging ’s-Hertogenbosch in te nemen in 1585. Op de voorgrond de smadelijke aftocht van Von Hohenlohe.
Naar Frans Hogenberg uit: W. Baudart: De Nassausche Oorloghen, Amsterdam 1615

Zo langzamerhand was de schans van Engelen een obsessie geworden voor Von Hohenlohe en op 13 juli 1587 volgde onder zijn leiding opnieuw een aanval op de sterkte, `hopende dat aen ’t verwinnen van dese plaets het noodtlot van den Bosch hing’. Von Hohenlohe kwam aanzetten met een leger van hoofdzakelijk Hollanders en Engelsen, tezamen maar liefst 4.000 man voetvolk en 1.000 paarden. Bovendien had hij gezorgd voor ondersteuning vanuit schepen op Maas en Dieze, die later in de strijd een cruciale rol zouden spelen.

De in Spaanse dienst zijnde Haultepenne, die de schans in 1579 had doen opwerpen, trok met groot materieel op naar Engelen. Liefst 42 vaandels voetknechten (ongeveer 3.200 man) en 25 vanen ruiters (ongeveer 1.000 paarden) volgden in zijn spoor en er vond een geweldige veldslag plaats. Het is deze strijd die vrijwel alle geschiedenisboeken heeft gehaald. De beslissende wending kwam toen door een hoge waterstand de door Von Hohenlohe in gereedheid gebrachte en sterk bewapende schepen via de Maas de Dieze op konden varen (getrokken door togers via het jaagpad) en van daar als het ware van bovenaf de schans in konden schieten (afb. 2).

Haultepenne, opperbevelhebber der Spaanse troepen in de Meierij en `een der schatbaarste en uitstekende krijgsoversten aan des konings zijde’ liet in de slag het leven. De Spaanse troepen moesten de aftocht blazen en Von Hohenlohe maakte zich meester van de schans. Voor Von Hohenlohe, die gekenschetst wordt als onbeschoft, dwaas en roekeloos en als iemand aan wie het mangelde aan beleid, moet het de ultieme wraak zijn geweest voor een verloren belegering van ’s-Hertogenbosch in 1585. Daarbij waren maar liefst 3.000 Staatse strijders omgekomen, omdat de Spaanse bezetting van de stad ’s-Hertogenbosch er in was geslaagd achter hen de Pieckepoort te sluiten, waardoor de Staatse soldaten als ratten in de val zaten. Velen sprongen over de stadsmuur heen de gracht in, hun dood tegemoet. De overblijvende Staatse soldaten werden daarbij een handje geholpen door de Spaanse bezetting, die er zelfs niet voor terugdeinsde ook de paarden over de stadsmuur heen de gracht in te mieteren. Van deze dramatisch mislukte aanval op ’s- Hertogenbosch kennen we nog een gravure die dit alles op indringende wijze in beeld brengt, inclusief een op de vlucht slaande Von Hohenlohe, spottenderwijs prominent op de voorgrond afgebeeld (afb. 1).

Afb. 2 Contemporaine gravure van de slag bij Engelen in 1587. De situatie is niet helemaal correct afgebeeld, maar geeft wel een goed overzicht.
Collectie R. Gruben, Bokhoven

Dit verlies had Von Hohenlohe diep gekrenkt door de schande die hij op zich geladen had. Een tijd lang zocht hij verstrooiing en vergetelheid in onmatig gebruik van den drank’. De winst bij de slag om de Engelerschans in 1587 bracht hem echter niet de gewenste rehabilitatie en promotie. Op het krijgstoneel werd hij voorbijgestreefd door zijn zwager Maurits van Nassau, die hem bovendien minachtte. Het verdriet, daaruit opgevat, deed hem zich meer en meer toegeven aan brassen en zwelgen, ’t geen hem hoe langer hoe minder geschikt maakte voor de dienst, en waarschijnlijk aanleiding gaf tot de verlamming en krankte waaraan hij overleed’. Von Hohenlohe stierf uiteindelijk op 6 maart 1606 te IJsselstein.

Op zijn grafmonument (afb. 3) in de Stiftskirche van het Duitse Öhringen is de slag bij Engelen, zijn huzarenstuk, prominent afgebeeld.

Afb. 3 Deel van grafmonument van Philips von Hohenlohe
in de Stiftskirche van het Duitse Öhringen.

Fort Crèvecoeur

Omdat Von Hohenlohe geen kans zag de in 1587 veroverde schans ook op lange termijn onder controle te houden liet hij haar deels ontmantelen en liet hij de sterke kerktoren met buskruit de lucht in blazen, `door welken schok de kerk zeer geteisterd werd’. Slechts het in 1551 gebouwde koor bleef min of meer ongeschonden behouden. De ontmanteling van de schans zal niet veel hebben voorgesteld, want op 7 september van hetzelfde jaar verzocht het stadsbestuur van ’s-Hertogenbosch de hertog van Parma om de Engelerschans, alsmede enkele kastelen rond de stad, op hun kosten weer te bezetten met stadssoldaten. Dat geschiedde vooral om een einde te kunnen maken aan de voortdurende plunderingen. Von Hohenlohe toonde zich echter niet onbetuigd en liet in 1589 bij de Diezemond op de Maas fort Crèvecoeur aanleggen. In hetzelfde jaar nog werd het ingenomen en uitgebreid door de Spanjaarden, maar in 1590 geraakte het wederom in Staatse handen. Crèvecoeur was mogelijk de opvolger van een oudere schans en lag precies ter plaatse van het oude gehucht Vo(o)rne (afb. 4).

Afb. 4 Luchtfoto uit 2014 van de restanten van fort Crèvecoeur, in 1589 door Philips von Hohenlohe aangelegd op de plaats van het voormalige gehucht Voorne.

Strategisch was de aanleg van Crèvecoeur door de Staatse troepen een magistrale zet, want hierdoor had de schans te Engelen in feite afgedaan als bewaakster van de vrije scheepvaart op de Dieze.

Het nieuwe fort Crèvecoeur vormde een grote belemmering voor de handel van en op de stad ’s-Hertogenbosch en bij het beleg van 1629 zou het de spil vormen in het uiteindelijke succes. Vanaf dit fort kon de gehele logistiek en bevoorrading worden opgezet en ten uitvoer worden gebracht.

Nu er met Crèvecoeur voor het Staatse kamp een veel betere uitgangspositie was ontstaan voor het beleg van ’s- Hertogenbosch, werden daartoe ook snel pogingen ondernomen. Voor het eerst in 1594, daarna nogmaals in 1600, 1601 en 1603, alle onder bevel van de latere prins Maurits van Nassau. In 1600 werd ook de beroemde Slag bij Nieuwpoort geleverd en daarbij was voor het eerst de nog piepjonge Fredrik Hendrik aanwezig, een halfbroer van Maurits. Als zestienjarige kon hij hier prachtig ervaring opdoen en later slagen waar zijn halfbroer dat al die jaren tevoren niet had kunnen doen: de inname in 1629 van de stad ’s-Hertogenbosch, de verraderlijke moerasdraak. Dat er tussen 1603 en 1629 overigens door de opstandelingen geen pogingen meer werden ondernomen de stad aan te vallen, had alles te maken met het twaalfjarig bestand, dat van 1609 tot in 1621 duurde en betrekkelijke rust bracht in het grensgebied van de geloofsstrijd. De dorpelingen van Engelen hadden voor deze tijd zelfs een vrijgeleide van beide kampen kunnen bemachtigen.

Schipbrug

Maar nadat Piet Hein in 1628 de zilvervloot op de Spanjaarden had veroverd en er daardoor meer dan voldoende geld in de oorlogskas was gekomen, vond in het voorjaar van 1629 het onvermijdelijke vervolg van de strijd plaats en werd er wederom een beleg rond ’s-Hertogenbosch geslagen. Het zou uiteindelijk tot september van dat jaar duren voor de stad zich overgaf, maar dat was dan ook een overwinning van formaat! Engelen speelde een doorslaggevende rol in dit conflict. Niet enkel was fort Crèvecoeur het logistieke hart van de hele onderneming, maar ter plekke van de oude schans van Engelen sloeg ook de graaf van Solms zijn legerkamp op en werd een schipbrug over de Dieze geslagen (afb. 5).

Afb. 5 Detail van een kaart die de situatie van Engelen in 1629 in beeld brengt. We zien rechts het dorp Engelen en links – ter plaatse van de huidige Engelerschans – het kamp van de graaf van Solms met de schipbrug over de Dieze.

Om de stad heen werd in drie weken tijd een maar liefst 45 kilometer lange circumvallatielinie aangelegd: een reeks van forten, legerplaatsen en andere verdedigingswerken die door middel van een dubbele linie met elkaar waren verbonden. De buitenste linie was bedoeld om weerstand te bieden aan troepen die de hertogstad zouden trachten te ontzetten. De binnenste linie was er juist op gericht om uitvallen vanuit de stad zelf te weerstaan. De afstand tussen beide linies bedroeg circa 600 passen. In het kader van al deze werkzaamheden werd langs de Bossche sloot een nieuwe dijk opgeworpen met aan weerszijden een borstwering. Vanwege de moerassige ondergrond én om de inundatie ongedaan te maken (de gronden droog te malen), zag men zich genoodzaakt tot het plaatsen van liefst 25 watermolens, waarvan er 23 door paarden en twee door wind werden aangedreven. Aan de overzijde van de Dieze, ter hoogte van de uitmonding van de Bossche sloot, werd bovendien door Johan Albert, graaf van Solms, een nieuwe schans opgeworpen, toepasselijk molenschans genaamd. De molen waaraan de schans zijn naam ontleende staat nog afgebeeld op het prachtige schilderij dat Cornelis Lieste in 1853 van het veer van Engelen maakte (afb. 6).

Afb. 6 Schilderij uit 1853 van Cornelis Lieste van het veer van Engelen. Als opvolger van een bootbrug was vanaf 1587 op deze plaats het veer gesitueerd. Links van de rivier de molenschans.
Coll. M.M. van Hoey Smit-Trouw, Rotterdam
Foto: Ton van de Vorst, ‘s-Hertogenbosch

En de 23 watermolens bij Engelen? Die zouden er uiteindelijk voor zorgen dat de inundatie, die in 1629 rond ’s-Hertogenbosch was gesteld, ongedaan werd gemaakt en de stad in Staatse handen geraakte.

Afbreken

Engelen heeft nog lang de naweeën van deze militaire operatie ondervonden. Er lagen immers allerlei aardwerken van de circumvallatielinie in en rond het dorp die door het bevoegd gezag zo lang als mogelijk in stand werden gehouden. Dat was de dorpelingen een doorn in het oog. Er is een brief bekend van 14 oktober 1629 – ’s-Hertogenbosch was toen precies een maand gevallen – waarin een gedeputeerde te velde zich richt tot het bevoegd gezag met het verzoek geldmiddelen ter beschikking te stellen om de contrescarpe (de buitenoever van de gracht) en vestingwerken van de schans te Engelen te kunnen afbreken. Ook werd op 10 mei 1630 namens schout en schepenen van Engelen in Den Haag geprotesteerd tegen het afbreken van huizen en het weghalen van gras of hooi uit het Engelense veld ten behoeve van de aardwerken. In ’s-Hertogenbosch werd zelfs een ingenieur (Jan van den Bos) omgekocht die moest “verbieden ende laeten afftrommelen, geenen schade te doen int Engels velt’. Pas in juni 1630 mochten dan eindelijk enkele van die belemmerende aardwerken in en rond het dorp worden geslecht: Item noch besteet die Voornsse steeghe met die achterstraten, om te slichten die wercken, die daerin gemaeckt ende gegraven waeren in die belegeringe van `s Hartogenbosse’”. Het (vesting)werk aan de Voornse Steeg vinden we nog terug als veldnaam op een kaart van 1865 en een ander verdedigingswerk van de linie is op moderne luchtfoto’s tot op de dag van vandaag herkenbaar (afb. 7).

Afb. 7 Detail uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
met midden op het zogenaamde eiland in de Henriëttewaard
duidelijk zichtbaar de contouren van het hoornwerk uit 1629.

Bertie Geerts ontdekte bovendien dat het tracé direct voor het zuidwestelijke deel van de kerkhofmuur in 1914 nog werd aangeduid met de naam “singel”. Doorgaans wijst die naam op hoogteverschil, omringend water en mogelijk verdedigbaarheid. Het verloop van deze singel is op alle oude kaarten van Engelen terug te vinden in de vorm van het kwartronde straatverloop zuidwestelijk van de kerk. Zonder twijfel zal de ronding ook van doen hebben met de vorm van de natuurlijke zanddonk of terp waarop de oudste bebouwing van het dorp was gelokaliseerd. Waarschijnlijk duidt de in 1914 vermelde naam “singel” op een relict van ófwel de verschansing van de kerkomgeving in 1587, ófwel de aanleg van aardwerken in 1629 door de troepen van Fredrik Hendrik. Hoe het ook zij, de motivatie van de lieden die de afgravingswerkzaamheden moesten uitvoeren liet ernstig te wensen over. Uiteindelijk moesten soldaten uit het nabijgelegen Crèvecoeur de zaak afmaken, maar ook die gooiden er het bijltje halverwege bij neer. Er was zelfs sprake van dat schans en linie weer opnieuw in orde moesten worden gebracht! Vanuit het dorp heeft men toen alles in het werk gesteld dit te verhinderen en naar het schijnt is die lobby ook succesvol geweest.

Tot Slot

Uit dit alles blijkt het strategisch belang van het dorp Engelen bij het zo beroemde beleg van ’s-Hertogenbosch in 1629. Nu het jubeljaar 2015 voor Engelen is aangebroken en het spektakelstuk van de vieringen gevormd gaat worden door het heuse naspelen van de slag rond Engelen in 1587, mag zeker ook niet uit het oog worden verloren dat dit alles slechts de opmaat vormde voor de verovering van de stad ’s-Hertogenbosch, die na vele mislukte pogingen uiteindelijk pas in 1629 succesvol door de Staatse troepen kon worden volbracht. Het is mooi dat het initiatief De Groene Vesting pogingen doet de relicten uit deze periode en van het beleg zelf als blijvende herinnering in het landschap vorm te geven. Met kennis van de historie van de plek blijkt er namelijk nog genoeg van terug te vinden!