Engelenburcht, een geschiedenis in delen – slot

Door Han Marjot. Eerder gepubliceerd in Angrisa Nieuwsbrief 7, september 2014.

Vervolg van deel 2

Han Marjot is van het begin af al bij de Engelenburcht betrokken. Dit is zijn derde en laatste bijdrage om de geschiedenis eens op een rij te zetten.

Prentbriefkaart uit 1954, achter zijde bedrukt met Blindentehuis O.L. Vrouw van Lourdes ENGELEN. (Collectie R. Gruben)

In mijn vorige bijdrage vertelde ik al dat er in 1954 voor de uitpuilende opslag van goederen van de Blizo in Velp ruimte vrij kwam in Engelen. De lijntjes die er ongetwijfeld liepen tussen de verschillende blindenorganisaties zorgden ervoor dat in Velp bekend werd dat er in het pensionaat in Engelen, dat eerder gekocht was door de Stichting Centraal Orgaan van het Katholiek Blindenwezen, ruimte over was. Ik heb er behoefte aan om ook dit stuk historie van het pensionaat wat toe te lichten.

In 1820 werd Jacobus van Hooff pastoor van Engelen. Hij was een zeer populair man die bekend stond om:

a. zijn bochel – “mijn vader was smid en ik draag het aambeeld op mijn rug” – zei hij altijd,
b. zijn zogeheten snakerijen – hij was altijd goedgeluimd, zat vol grappen
c. zijn bedelkunst.

Begijntjes

Hij droomde ervan de opvoeding van de vrouwelijke jeugd aan religieuzen toe te vertrouwen. Vrouwelijke religieuzen waren in Nederland vrijwel onbekend. Daarom ging hij naar de pastoor van Hoogstraten, vlak over de grens in Belgie en vroeg hem om enkele begijntjes. Toen het naar zijn smaak te lang duurde, ging hij Pater Matthias Wolff S.J. polsen om hem enkele nonnen van zijn congregatie van Zusters van J.M.J. te sturen. Al snel werden twee zusters naar Engelen overgeplaatst. Wie schetst de verbazing van Pastoor van Hooff toen ineens, onaangekondigd, drie begijnen voor zijn deur stonden. Hij had vergeten de pastoor van Hoogstraten op de hoogte te brengen! Maar voor deze vrolijke man bestonden geen problemen : hij zette ze in in de verzorging van zieken in zwarte kledij (de zwarte Zusters) en verschafte ze onderdak in De Pellikaan, nu graaf van Solmsweg 79a.

Engelen had nu twee religieuze communiteiten wat voor zo’n klein dorp niet ideaal leek. Vijf jaar later gingen de zwarte zusters na overleg tussen onze pastoor, pater Wolff en de Tilbugse pastoor Zwijssen in 1832 naar Tilburg. Hier stichtte Mgr. Zwijssen later met hen de Zusters van Liefde, een van de grootste Nederlandse congregaties. Even iets over De Pellikaan: in 1832 werd het huis verkocht aan Gijsbert Murray, In 1858 brak er brand uit in het huis van burgemeester van Calker, waardoor nog vijf andere huizen, waaronder De Pellikaan afbrandden. In de tachtiger jaren van de vorige eeuw werd het huis verkocht en sinds begin 2000 bewoont de familie Wijns het.

De toename van het aantal intredende meisjes bij de zusters van J.M.J. in Amersfoort maakte het mogelijk enkele zusters onderwijzeressen naar Engelen over te plaatsen. Zo kwamen er in 1827 drie zusters hier,die in het voorjaar hun onderwijsbevoegdheid aanvroegen. Die werd hen geweigerd omdat ze “te kort in de provincie verbleven”. In het najaar probeerden ze het weer, maar burgemeester Pfannebecker zag niets in deze onderwijsinstelling voor het dorp. Het gemeentebestuur gaf, gezien de verwachting van toenemend verkeer en negotie de doorslag en zo kregen ze toestemming zich te registreren. Wel moesten burgemeester en schoolopzichter geregeld verslag uitbrengen en moest elk bezoek van pater Wolff gemeld worden !

Elite

Aangezien het onderwijs vooral was bedoeld voor de elite, dus de meisjes uit de hoogste kringen, moest het pensionaat daaraan aangepast zijn. De pater en de pastoor gingen dus gelden inzamelen en begin 1828 hadden ze 60.000 gulden bijeen gebracht. Men begon snel erna met de bouw en in februari 1829 werd het pensionaat geopend. Toch liep niet alles daarna van een leien dakje. Zo waren er van 1830 tot 1839 geen pensionaires vanwege de Belgische opstand.

Toch werd 1840 een memorabel jaar, want het moederhuis werd verplaatst van Amersfoort naar Engelen, troonopvolger Willem 2 trad aan als koning en hij stond veel positiever tegenover de katholieken. Tenslotte werd de eerste postulante (een persoon die wil ondervinden of ze wil en kan intreden) aangenomen.

Prentbriefkaart uit 1935 van de slaapzaal met de chambrettes. (Collectie R. Gruben)

Het aantal leden van de congregatie breidde zich gestaag uit, maar het aantal pensionaires daalde. De financiën werden een steeds grotere zorg. Toen er in 1862 een besmettelijke ziekte – tyfus?- uitbrak werd het pensionaat nog voor de zomer opgeheven. Een ander gevolg was dat men in 1871 het moederhuis naar ‘s-Hertogenbosch verplaatste. De opheffing van het pensionaat in Waalwijk maakte het mogelijk Engelen weer te openen en dat leidde tot grote bloei van het pensionaat in ons dorp. Dit ook omdat de school opengesteld werd voor meisjes uit Engelen en de zusters een bewaarschool begonnen.

Zo ging alles door tot de oorlog.

Vooral in 1944 was heftig. Er waren veel evacuées opgenomen, té veel naar de zin van de bezetter en iedereen moest het pensionaat verlaten. Men ging door de polder richting Vlijmen. Daar werden ze beschoten en zes zusters en tien burgers werden dodelijk getroffen door granaatvuur. Andere tijden en een verlies van veel zusters in de oorlog resulteerden in 1953 in het besluit Engelen te sluiten na hier van 1826 tot 1862 en van1871 tot 1953 hun liefdevolle werk voor de pensionaires en de jeugd van Engelen te hebben verricht.

Blinde dames

Toen de zusters in 1953 uit Engelen vertrokken waren, bleken er spoedig geïnteresseerden te zijn. Er was allang grote behoefte aan een huis voor blinde en slechtziende dames.

Het Centraal Orgaan voor het Katholiek Blindenwezen heeft het pand voor een zeer schappelijke prijs kunnen aankopen. Er moest nog wel wat verbouwd worden maar toen op 4 Mei 1954 de kwartiermakers, de Heer Coppes en zijn zus, beiden al jaren blind, en de dames Kok en Goudriaan, secretaresse, in het gebouw trokken bleek het een ruïne te zijn. De slaapruimten bevatten zelfs nog geen deuren! Daarnaast moesten de kleine chambrettes van de pensionaires ook nog omgebouwd worden tot zit-slaapkamers voor de nieuwe bewoners. Zo kon pas op 25 Augustus 1954 door Pastoor Laane (1893-1971) het gebouw worden ingezegend. Vaste wastafels en CV waren geplaatst en kamergebonden electriciteit was aangelegd.

De Heer Coppes was van 1931 tot 1946 secretaris en daarna voorzitter van de Nederlandse RK Blindenbond. Het grote streven was blinde mensen onafhankelijk te maken omdat die mensen vaak niet geleerd hadden voor zichzelf te zorgen. Velen konden hun haren niet kammen, hun schoenveters strikken of zichzelf aankleden. Dat werd hen hier geleerd.

Verder gingen ze vaak werken, bv. aan de breimachine of ze leerden borduren om met de opbrengsten wat voor zichzelf te verdienen. Het wegvallen van het ene zintuig geeft trouwens vaak een ander zintuig meer kansen, wat je goed kunt gebruiken bij de verzelfstandiging van gehandicapten : zo herinner ik me dat een van de bewoonsters, werkend in de keuken, veel last had van het lawaai van de andere mensen in de keuken. Ze vroeg hen wat stiller te zijn, want ze kon niet horen of “het gehakt al gaar was!”

Verhuizing

Bij een controle in 1973 bleek dat zoveel veiligheidsaspecten verbeterd moesten worden, dat het mede om financiële redenen niet meer verantwoord was daar te blijven wonen. Velen in Engelen waren het er niet mee eens dat de blinden weg moesten. Juist omdat die mensen in het dorp hun eigen ziende kennissen hadden en in alle rust overal konden wandelen, omdat ze alle obstakels kenden. Ze gingen de blinden zelf bezoeken om over andere mogelijkheden te praten, maar ze kregen zelfs een toegangsverbod. Misschien had ook het feit dat er bestuurscontacten zouden zijn met de leegstaande Steffenberg in Vught met de verhuizing te maken.

Dorpshuis

In die zelfde tijd vertrok ook de in 1954 opgerichte Blizo naar Vught, wat overigens niets te maken had met de hiervoor genoemde verhuizing.

Nu kwamen dus hier het damespension en de blindenwerkplaatsen vrij. De gemeente gaf te kennen niet meer te eisen dat een dorpshuis bij de school moest staan. De Stichting Dorpshuis ging in gesprek met de gemeente om de vrijkomende ruimten van het pension en de Blizo over te nemen om zich daar te vestigen. Het gemeentebestuur gaf alle medewerking.

De Heer ter Ellen ging meteen aan de slag. In de vele, hardnekkige onderhandelingen bleef het meeste overeind, de gemeente bleef echter vasthouden aan een aparte sportzaal

Eind april 1976 werden de plannen aanbesteed en gegund en in mei werden de bestaande gebouwen aan de Stichting overgedragen. Op 16 September 1976 kon de vlag worden gehesen en 16 December van datzelfde jaar vond de officiële opening plaats met een boerenbruiloft. Zaterdag de 17e was de hele dag voor de jeugd, gevolgd door een avondoptreden van de Terper dixieland kapel met medewerking van de toen zeer bekende New Orleans Syncopators. De volgende dag, zondag de 18e, was er een kerkdienst, voorgegaan door Pastoor P. van Zutphen, gevolgd door een toespraak door Dominee J. Hanegraaff.

Om 20.00uur werd het eerste stuk opgevoerd door de toneelclub ‘Trammelant’. Het heette ‘Trammelant aan de Diezekant’ en was geschreven door een van onze speelsters, Tineke Kaal. Dat is nu ongeveer 40 jaar geleden maar toen al schreef een recensent dat er een enorme hoeveelheid rotzooi was achtergelaten! Er is dus niets nieuws onder de zon.

Ik ben zo aan het einde gekomen van mijn ‘geschiedenis in delen’. Die delen vond ik belangrijk om de voorgeschiedenis te kunnen gebruiken voor een beter inzicht in het ontstaan van ons Dorpshuis. Mijn taak zat er toen ongeveer op, het overleggen en het vele keren onderhandelen met een fantastisch team maakte het een bijzonder mooie tijd. Het werk dat volgde lag me niet zo en na enige tijd ben ik gestopt. Ik weet dat er nog vele moeilijke momenten zijn geweest, dat het voortbestaan van ons Dorpshuis soms aan een zijden draadje hing, maar ben blij dat bestuurders van daarna ons Dorpshuis hebben weten in stand te houden. Hulde!

Bronvermelding

Voor deze artikelen heb ik gebruik kunnen maken van het archief van Angrisa. Verder van gegevens in het bezit van Mevrouw v.d. Grint- Goudriaan. Van waarde waren ook een krantenartikel over de beide zustercongregaties door Pastoor H. Serrarens uit 1932 en een schrijven door een niet bekende auteur uit 1922. Eveneens zijn onbekend de schrijver en de datum (pm.1985?) over de Pellikaan. Een grote bron van informatie was een boekje uit 1987, in 1999 herzien van de hand van Mevrouw Anneke Heimeriks-van Dinther. Tenslotte haalde ik nog gegevens uit de Beatrijs, 13e jaargang, nr. 28 van 9 Juli 1955, pag. 199 e.v.